zaterdag 18 juli 2009

Het eucharistisch gebed: van het Levende Brood naar het Levende lichaam

Het eucharistisch dankgebed vormt een kernstuk in de viering van de eucharistie. Net als in het geheel van de christelijke liturgie worden hier in taal en tekens de uitwisseling en dialoog uitgedrukt tussen God en zijn Volk, met Jezus Christus als brugfiguur. De bedoeling van het gebed wordt al aangegeven in de uitnodiging die er het vertrekpunt van vormt: "Brengen wij dank aan de Heer, onze God".

De tekst van de verschillende dankgebeden wil uitdrukken waarvoor de kerkgemeenschap God wil danken, en hoe ze dat doet. Meer bepaald komt het paradoxale karakter van de christelijke dankbaarheid aan het licht: wat de kerkgemeenschap heeft ontvangen van God houdt ze niet voor zich, integendeel, ze biedt het Hem opnieuw aan, en ze sluit zich zelf ook aan in de beweging van zelfgave van Jezus Christus.

In de manier waarop het eucharistisch dankgebed wordt gebeden, zou dus voelbaar moeten worden dat de kerk zich hier uitdrukkelijk aansluit bij het gebed van haar grote Herder en Voorganger, Jezus Christus zelf. Samen met de priester-voorganger, die het gebed uitspreekt, sluit de geloofsgemeenschap zich aan bij de dankzegging en de zelfgave van de Verrezen Heer.

Het eucharistisch dankgebed is een eigen literair genre, met een aantal specifieke kenmerken. Het vormt één dynamisch geheel met een logische opeenvolging van verschillende thematieken. Reeds in de oudste teksten vindt men de – heel bijbelse – aaneenschakeling van lofprijzing, dankzegging en smeekgebed. Op het einde monden ze weer uit in lofprijzing en dankzegging (doxologie). Deze grote lijn vindt men in alle dankgebeden terug.

Twee andere spanningslijnen keren ook voortdurend weer: eerst en vooral de lijn van verleden over heden naar de toekomst; anderzijds de overgang van de gedachtenis van de historische Jezus naar de vraag om de actualisering van zijn aanwezigheid in zijn eucharistisch lichaam, en tenslotte de bede dat de vierende gemeenschap mag uitgroeien tot zijn levend "kerkelijk" lichaam. Het is dus belangrijk om in de praktijk deze dynamische eenheid te respecteren en aan het licht te laten komen.

Meer in detail bekeken, vinden we in het eucharistisch dankgebed een opeenvolging van volgende elementen:

* Lofprijzing en dankzegging in de prefatie, die uitmondt in de acclamatie van het Heilig.

* Na het Heilig volgt een eerste gebed om de Geest (epiclese) over de gaven van brood en wijn.

* Het instellingsverhaal.

* De gedachtenis (anamnese) waarin het leven, lijden, sterven en verrijzen van Jezus in het heden worden opgeroepen.

* Het offergebed, waarin de kerkgemeenschap in de gaven van brood en wijn ook zichzelf aan God aanbiedt, in navolging van de gave van Jezus’ eigen leven.

* Een tweede gebed om de Geest (epiclese) over de verzamelde gemeenschap.

* Voorspraakgebeden.

* Afsluitende doxologie die beantwoord wordt met het gemeenschappelijke "Amen".

Op verschillende plaatsen betuigt de gemeenschap haar instemming en betrokkenheid bij het gebed: bij de inleidende dialoog, in de acclamaties (Heilig, acclamatie na consecratie, eventueel ook andere acclamaties), en het Amen.

Enkele woorden van commentaar bij de verschillende elementen:

Het eucharistisch gebed is vooreerst een gebed van dankzegging en lofprijzing (eucharistie!). Dit blijkt vooral uit het eerste deel, de prefatie (vrij vertaald: "uitgesproken voor Gods aanschijn"). Deze lofprijzing mondt uit in een lied waarin de heiligheid van God wordt bezongen (= het "Heilig"). Als er één plaats is waar er door iedereen blij moet gezongen worden is het hier!

Essentieel in het Dankgebed is ook de epiklese, de roep om Gods Geest. Het is tenslotte niet ons gebed op zich, maar Gods Geest die de aanwezigheid van Christus midden in zijn gemeenschap bewerkt, en die de gemeente toelaat om Zijn aanwezigheid te herkennen. De epiklese is tweeledig: eerst wordt er gebeden dat Gods Geest over de gaven van brood en wijn komt; na het instellingsverhaal dat Hij ook de gemeenschap zelf zou bezielen en begeesteren.

De instellingswoorden: literair gezien lijken deze woorden een incoherentie: van de dialoog in het heden (Wij – U) gaat het gebed plots over naar een vertellen in het verleden (Hij). Inhoudelijk is deze breuk echter van groot belang: dit verhaal van de kerkgemeenschap over Jezus ("Wat Jezus heeft gedaan op het Laatste Avondmaal") gaat functioneren als een woord dat de Verrezen Heer tot zijn kerk richt. Het instellingsverhaal doet namelijk beroep op twee citaten van Jezus. Wanneer men iemand citeert, haalt men hem of haar aan als een gezagsvolle getuige. Door de woorden van Jezus aan te halen, toont de kerk dat ze zich aangesproken weet door de opdracht die er in vervat ligt: als we eucharistie vieren doen we dat omdat Jezus het ons gevraagd heeft. In het eucharistisch dankgebed keren de christenen steeds weer terug tot deze "beginopdracht". De instellingswoorden brengen dus steeds weer het essentiële in herinnering: het gebaar waarmee Jezus aan zijn leerlingen zijn liefde tot het uiterste heeft willen uitdrukken, en waarin Hij ons oproept om hetzelfde te doen.

Anamnese of gedachtenis: het volgende deel van het eucharistisch dankgebed is als het ware een ontplooiing of uitwerking van het voorafgaande. Er wordt uitdrukkelijk uitgesproken wat er met Jezus is gebeurd, meerbepaald dat hij voor de mensen geleden heeft, dat hij is gestorven, dat God Hem uit de dood heeft opgewekt. En het gaat daarbij niet louter om het "in herinnering brengen van het verleden". We spreken over wat er met Jezus is gebeurd opdat het ook nu voor ons werkelijk zou worden. We gedenken de doortocht van dood naar leven opdat we die doortocht ook in ons eigen leven zouden kunnen ontdekken en ervaren. Daarom duikt hier ook de gedachte op van de zelfgave: de kerkgemeenschap spreekt haar bereidheid uit om haar Meester te volgen in het breken en delen van zichzelf.

Smeekbeden: na de twee grote "strofen" van lofprijzing en anamnese, loopt het dankgebed uit op een smeekbede. We vragen dat God de weldaden die Hij in het verleden aan Israël en in Jezus heeft getoond, ook vandaag zou voortzetten. Vandaar het gebed voor de kerk en haar leiders: het gebed drukt de verbondenheid uit van de plaatselijke gemeenschap met de hele wereldkerk, en met de gelovigen die ons in de tijd zijn voorgegaan. Daarom worden ook Maria en de apostelen genoemd, en wordt er gebeden voor de overledenen. Tenslotte gaat men vanuit het verleden en het heden over naar de toekomst: het gebed verwoordt de hoop en het vertrouwen dat het Koninkrijk van God, waar we naar uitzien en waarvan we in het vieren van de eucharistie een eerste "voorsmaak" krijgen, eens werkelijk en volledig zal aanbreken: dat God ooit voor alle mensen zijn maaltijd aanricht waar volledig gevierd zal kunnen worden in blijdschap en vrede.

Doxologie: het Grote Dankgebed wordt afgesloten met een korte lofprijzing van God. Zo wordt de cirkel rondgemaakt. Hierbij is ook het gebaar belangrijk. Het omhoog heffen van de gaven laat zien wat eigenlijk de bedoeling was van heel het gebed: aan God aanbieden wat we van Hem als kostbaarste geschenk hebben gekregen.

Amen: als er één "Amen" moet klinken, is het wel hier: heel de gemeenschap bevestigt het gebed dat de voorganger in hun naam heeft uitgesproken.

Tot slot: de band tussen eucharistie en leven

Doorheen het eucharistisch dankgebed wordt ons leven en engagement als christen telkens weer geijkt op het voorbeeld van Jezus zelf, Hij die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven (cf. Mc. 10, 45). Via de gedachtenis van de grote gave die God ons in het leven van Jezus van Nazaret heeft gedaan, en de vraag dat de verrezen Heer door de kracht van Gods Geest nu opnieuw aanwezig mag komen, worden de aanwezigen - door de deelname aan het brood en de wijn, zijn eucharistisch Lichaam - zelf opgebouwd worden tot het zichtbare levende Lichaam van Christus, dat zijn dienstwerk in de wereld vandaag verder zet. Het gebaar van de broodbreking trekt de lijn nog verder en laat zien wat de uiteindelijke bedoeling is van het brood én van het levende Lichaam van Christus: dat het zich laat breken en delen ten bate van de wereld. Daarom is het "Amen" dat we uitspreken bij het ontvangen van de communie dan ook een echte engagementsverklaring: "Ja, ik wil het lichaam van Christus ontvangen, om zelf lichaam van Christus te worden", d.w.z. om te leren doen zoals Jezus heeft gedaan. "Maak ons door dit brood ook sterk, en geef dat wij meer en meer gaan doen wat Gij van ons verwacht" (Groot Dankgebed X).

Geen opmerkingen: