woensdag 15 juli 2009

CARITAS IN VERITATE - LIEFDE IN WAARHEID

Inleiding (nrs. 1-9)

In de inleiding roept de Paus in herinnering dat "liefde de kern van de sociale leer van de Kerk is". Maar, gegeven het risico dat dit "verkeerd begrepen wordt en losgemaakt van leven volgens de moraal", waarschuwt hij dat "een christendom van liefde zonder waarheid gemakkelijk verwisseld kan worden met een hoeveelheid goede, voor het sociale leven nuttige, maar toch bijkomstige gevoelens".

De Heilige Vader maakt duidelijk dat ontwikkeling behoefte heeft aan waarheid. In deze context staat hij stil bij twee "criteria voor het morele handelen": gerechtigheid en het algemeen welzijn. Alle christenen zijn geroepen tot liefde, ook op een "institutionele wijze" die van invloed is op het leven van de ‘polis’, de stad, dat wil zeggen de sociale samenleving.

Hoofdstuk 1 - De boodschap van Populorum Progressio (nrs. 10-20)

In het eerste hoofdstuk ligt de nadruk op de boodschap van Populorum Progressio, van Paus Paulus VI, die "de nadruk legde op de absoluut noodzakelijke rol van het evangelie voor de opbouw van een samenleving in vrijheid en gerechtigheid … Het christelijk geloof rekent niet op voorrechten of machtsposities … maar alleen op Christus". Paulus VI "wees erop dat de oorzaken van onderontwikkeldheid niet primair van materiële aard zijn". Ze liggen vooral aan de wil, het denken, en meer nog aan het "gebrek aan broederschap tussen mensen en volken".
Hoofdstuk 2 - De menselijke ontwikkeling in onze tijd (nrs. 21-33)

"Menselijke Ontwikkeling in Onze Tijd" is het thema van het tweede hoofdstuk. "Als winst", zo schrijft de Paus, "het enige streven wordt, dat wordt gerealiseerd door ongepaste middelen en zonder het algemeen welzijn als uiteindelijk doel, lopen we het risico de rijkdom te vernietigen en armoede te scheppen". In deze context noemt hij een aantal "defecten" van de ontwikkeling op: financiële handelingen die hoofdzakelijk speculatief zijn, stromen van migranten dikwijls uitgelokt door bepaalde omstandigheden en daarna slecht begeleid, en de ongeregelde exploitatie van de hulpbronnen van de aarde". Met het oog op deze onderling verbonden problemen doet de Paus een beroep op een "nieuwe humanistische synthese", waarbij hij opmerkt dat "ontwikkeling vandaag de dag uit vele elkaar overlappende lagen bestaat: … In absolute getallen groeit de rijkdom van de wereld, maar de verschillen vermeerderen zich" en er ontstaan nieuwe vormen van armoede.
Op cultureel niveau, zo gaat de encycliek verder, openen de mogelijkheden van interactie nieuwe perspectieven voor de dialoog, maar hierin schuilt wel een dubbel gevaar: een "cultureel eclecticisme", waarbij alle culturen "in essentie als gelijkwaardig" worden beschouwd, en het tegenovergestelde gevaar van "culturele vervlakking en de kritiekloze aanvaarding van soorten gedrag en levensstijlen". In deze context noemt Paus Benedictus ook het schandaal van de honger en spreekt hij zijn hoop uit voor een "rechtvaardige landbouwhervorming in ontwikkelingslanden".

De Paus staat tevens stil bij de kwestie van eerbied voor het leven, "die op geen enkele manier gescheiden kan worden van kwesties met betrekking tot de ontwikkeling van volken", waarbij hij bevestigt dat "als een samenleving zich beweegt in de richting van de ontkenning of de onderdrukking van het leven, die uiteindelijk niet meer de noodzakelijke motivering en energie vindt om te streven naar het ware goede voor de mens".

Nog een kwestie die verband houdt met ontwikkeling is het recht op godsdienstvrijheid. "Geweld", zo schrijft de Paus, "remt de authentieke ontwikkeling af", en dit "geldt vooral voor terrorisme dat gemotiveerd is door fundamentalisme".

Hoofdstuk 3 - Broederschap, economische ontwikkeling en burgerlijke samenleving (nrs. 34-42)

Hoofdstuk drie van de encycliek – Broederschap, Economische Ontwikkeling en Burgerlijke Samenleving – opent met de passage waarin de "ervaring van de gave" wordt geprezen, die dikwijls onvoldoende wordt herkend, "op grond van een zuiver productiegerichte en utilitaristische kijk op het bestaan". Toch moet ontwikkeling, "als die werkelijk menselijk is, plaats maken voor het principe van de gave". Wat betreft de logica van de markt, die "moet gericht zijn op het nastreven van het algemeen goed, waarvoor in het bijzonder ook de politieke gemeenschap verantwoordelijkheid moet nemen".
Met verwijzing naar Centesimus Annus, legt deze encycliek nadruk op de "behoefte aan een systeem met drie onderwerpen: de markt, de staat en de burgerlijke samenleving" en moedigt het "beschaven van de economie" aan. De nadruk wordt gelegd op "economische vormen gebaseerd op solidariteit" en er wordt aangegeven hoe "zowel de markt als de politiek mensen nodig heeft die openstaan voor wederzijdse gave".

Het hoofdstuk besluit met een nieuwe evaluatie van het verschijnsel globalisering, dat niet gezien moet worden enkel een "socio-economisch proces". Globalisering moet "een op de mens gebaseerd en op de gemeenschap gericht cultureel proces van wereldwijde integratie bevorderen, dat openstaat voor transcendentie" en in staat is de eigen defecten te corrigeren.

Hoofdstuk 4 - De ontwikkeling van de volken, rechten en plichten, milieu (nrs. 43-52)

Het vierde hoofdstuk van de encycliek concentreert zich op het thema: "De Ontwikkeling van de Volken, Rechten en Plichten, Milieu". Regeringen en internationale organisaties, zo zegt de Paus, kunnen "de objectiviteit en de ‘onschendbaarheid’ van rechten niet uit het oog verliezen". In deze context besteedt hij ook aandacht aan "de problemen op het terrein van de bevolkingsgroei".
Hij bevestigt opnieuw dat seksualiteit "niet gereduceerd kan worden tot niet meer dan genot of vermaak". Staten, zo zegt hij, "zijn geroepen om beleid te maken dat de centrale positie en de integriteit van het gezin bevordert."

"De economie heeft de ethiek nodig om goed te functioneren", zo gaat de Heilige Vader verder, en "niet zo maar een ethiek maar een ethiek die mensgericht is". Deze centrale positie van de menselijke persoon moet ook het leidende principe zijn bij "ontwikkelingsprogramma’s" en bij internationale samenwerking. "Internationale organisaties", zo stelt hij voor, "zouden de werkelijke doeltreffendheid van hun bureaucratische en administratieve apparaat weleens kunnen bevragen, dat dikwijls buitensporig veel geld kost".

De Heilige Vader richt zijn aandacht ook op het energieprobleem, waarbij hij opmerkt hoe "het feit dat sommige staten, machtsgroepen en ondernemingen natuurlijke hulpbronnen – en met name energie – hamsteren, een ernstig obstakel vormt voor de ontwikkeling in arme landen … Technologisch geavanceerde samenlevingen kunnen en moeten hun eigen energieverbruik verminderen", zegt hij, terwijl hij tevens "onderzoek naar alternatieve vormen van energie" aanmoedigt.

Hoofdstuk 5 - De samenwerking van de familie van de mensheid (nrs. 53-67)

"De Samenwerking van de Familie van de Mensheid" is de titel en het aandachtspunt van hoofdstuk vijf, waarin Paus Benedictus benadrukt hoe "de ontwikkeling van volken vooral afhangt van de erkenning dat het menselijk ras één enkele familie vormt". Daarom kunnen het christendom en andere godsdiensten "alleen hun bijdrage leveren aan ontwikkeling als God een plaats heeft in het openbare leven".
De Paus refereert ook aan het subsidiariteitsprincipe, dat de mens helpt "middels de autonomie van organisaties op tussenniveau". Subsidiariteit, zo legt hij uit, "is het meest effectieve tegengif voor iedere vorm van alomvattende welvaartsstaten" en is "heel erg geschikt om globalisering in de hand te houden en te richten op authentieke menselijke ontwikkeling".

Benedictus roept de rijke staten op "grotere delen van hun bruto nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp toe te wijzen", en daarmee hun verplichtingen nakomen. Hij drukt ook de hoop uit dat er meer toegang tot onderwijs zal komen, en nog meer tot "de volledige vorming van de persoon", waarbij hij benadrukt dat relativisme iedereen armer maakt. Een voorbeeld hiervan, zo schrijft hij, is het perverse verschijnsel van sekstoerisme. "Het is verdrietig te constateren dat deze activiteit dikwijls plaats vindt met de steunt van plaatselijke regeringen", zegt hij.

Dan overweegt de Paus de "historische" kwestie van de migratie. "Iedere migrant", zo zegt hij, "is een menselijk persoon die als zodanig fundamentele, onvervreemdbare rechten bezit die door iedereen onder alle omstandigheden geëerbiedigd moeten worden".

De Paus besteedt de laatste alinea van dit hoofdstuk aan de "sterk gevoelde noodzaak" voor een hervorming van de Verenigde Naties en van "economische instellingen en de internationale financiën … Er is", zo zegt hij, "dringend behoefte aan een echt politiek wereldgezag" met "daadwerkelijke macht".

Hoofdstuk 6 - De ontwikkeling van volken en technologie (nrs. 68-77)

Het zesde en laatste hoofdstuk heet "De Ontwikkeling van Volken en Technologie". Daarin waarschuwt de Heilige Vader tegen de "prometheïsche aanmatiging" van de mensheid die denkt "zichzelf te kunnen herscheppen door de ‘wonderen’ van de techniek". Technologie, zo zegt hij, kan geen "absolute vrijheid" hebben.
"Een zeer belangrijk slagveld in de huidige culturele strijd tussen de aanspraak op oppermacht van de technologie en de morele verantwoordelijkheid van de mens is het gebied van de bio-ethiek", zegt Benedictus XVI, en hij voegt daaraan toe: "Rede zonder geloof is gedoemd vast te lopen in een illusie van eigen almacht". De sociale kwestie, zo stelt hij, is een antropologische kwestie geworden. Experimenteren met embryo’s en klonen wordt "aangemoedigd in de zwaar teleurgestelde cultuur van vandaag, die gelooft ieder mysterie onder de knie te hebben". De Paus uit ook zijn bezorgdheid over een mogelijk "systematisch eugenetisch programmeren van geboorten".

Conclusie (nrs. 78-79)

In de conclusie van zijn encycliek benadrukt Benedictus XVI hoe "ontwikkeling behoefte heeft aan mensen die hun armen in gebed opheffen tot God", evenals aan "liefde en vergeving, zelfverloochening, aanvaarding van anderen, rechtvaardigheid en vrede".
© 2009 Vatican Information Service / Secretariaat RK Kerk

Vertaling: dr. N. Stienstra

34

De liefde in de waarheid stelt de mens voor de verbazingwekkende ervaring van de gave. In zijn leven is de gratuïteit in vele vormen aanwezig maar wordt vaak niet herkend wegens een louter productivistische en utilitaristische visie op het bestaan. Het mens-zijn is gemaakt voor de gave; de gave die uitdrukking geeft aan de transcendente dimensie van het mens-zijn en deze dimensie realiseert. Vaak is de moderne mens ten onrechte ervan overtuigd de enige auteur van zichzelf, van zijn leven en van de maatschappij te zijn. Dit is een verwaandheid die volgt op het egoïstisch in zichzelf opgesloten zijn, welke voortkomt uit – om het met de termen van het geloof te zeggen – de erfzonde. De wijsheid van de Kerk heeft steeds voorgehouden om de erfzonde voor ogen te houden ook in de interpretatie van sociale gegevens en opbouw van de gemeenschap: “De ontkenning dat de mens een gewonde natuur heeft die neigt naar het kwade, is de oorzaak van ernstige vergissingen op het gebied van de opvoeding, de politiek, de sociale actie en de gebruiken.” 1 2 In de lijst van gebieden waarin zich de gevaarlijke effecten van de erfzonde tonen, is er nu sinds geruime tijd ook het gebied van de economie bijgekomen. Hiervan hebben we ook in deze periode evident bewijs. De overtuiging zelfvoorzienend te zijn en erin te slagen om het kwaad in de geschiedenis te verwijderen enkel door eigen handelen heeft de mens ertoe geleid om geluk en heil te doen samenvallen met immanente vormen van materieel welzijn en sociale actie. De overtuiging vervolgens dat de economie autonoom moet zijn, dat zij geen morele “invloeden” dient te aanvaarden heeft de mens ertoe geleid om het economische instrument te misbruiken op zelfs vernietigende wijze. Uiteindelijk hebben deze overtuigingen geleid tot economische, sociale en politieke systemen die de vrijheid van de persoon en de sociale instellingen verdrukt hebben en hierdoor niet in staat zijn om de rechtvaardigheid die zij bevorderen, te verzekeren.
Op deze wijze –zoals ik gesteld heb in mijn encycliek Spe salvi - maakt men de geschiedenis los van de christelijke hoop 3 , welke daarentegen een krachtige sociale schat is ten dienste van de integrale menselijke ontwikkeling in vrijheid en rechtvaardigheid. De hoop bemoedigt de rede en geeft ze de kracht om richting te geven aan de wil. 4 Dit is al aanwezig in het geloof, waaruit de hoop trouwens opgewekt wordt. De liefde in de waarheid wordt hierdoor gevoed en maakt deze hoop tegelijkertijd zichtbaar. De hoop, als absoluut gratuite gave van God, breekt in in ons leven als iets dat niet moest, dat elke wet van de rechtvaardigheid overstijgt. Vanuit haar wezen overstijgt de gave de verdienste, haar regel is de overmaat. De gave gaat aan onze eigen ziel vooraf als teken van de aanwezigheid van God in ons en van Zijn verwachting inzake onze verhoudingen.

De waarheid, die zoals de liefde een gave is, is groter dan ons, zoals Sint-Augustinus 5 ons leert. Ook de waarheid over onszelf, over ons persoonlijk geweten is eerst en vooral “gegeven”. Immers, in elk kenproces wordt de waarheid niet door ons gemaakt maar altijd gevonden, of beter, ontvangen. De waarheid, zoals de liefde, “wordt niet geboren uit het denken en het willen maar dringt zich in zekere zin op aan de mens.” 6

Omdat de liefde in de waarheid een gave is die door iedereen ontvangen wordt, is het een kracht die de gemeenschap bepaalt, die mensen verenigt op een wijze waarin er geen grenzen of barrières zijn. De mensengemeenschap mag uit onszelf bestaan, maar op eigen kracht zal ze nooit een volwaardig broederlijke gemeenschap zijn noch gestuwd worden voorbij elke grens, d.w.z. een echt universele gemeenschap zijn: de eenheid van het mensengeslacht, een broederlijke gemeenschap zonder enige verdeeldheid ontstaat uit de aanroeping van de waarde van God-Liefde.

In het trotseren van deze beslissende vraag dienen wij te verduidelijken dat enerzijds de logica van de gave de rechtvaardigheid niet uitsluit noch zich in een tweede moment en van buiten uit plaatst naast de gave. Anderzijds dienen wij te verduidelijken dat de economische, sociale en politieke ontwikkeling, indien deze authentiek menselijk wil zijn, nood heeft om ruimte te maken voor het principe van gratuïteit als uitdrukking van broederlijkheid.

35

De markt, indien er wederzijds en algemeen vertrouwen is, is de economische instelling die de ontmoeting toelaat tussen personen als economische actoren die het contract gebruiken als regel van hun verhoudingen en die goederen en diensten onder hen uitwisselen om te voldoen aan hun noden en verlangens. De markt is onderworpen aan de principes van de zogenoemde “corrigerende rechtvaardigheid” die precies de verhoudingen van geven en ontvangen tussen gelijke subjecten regelt.
Maar de sociale leer van de Kerk heeft steeds het belang benadrukt van de “verdelende rechtvaardigheid” en van de sociale rechtvaardigheid voor dezelfde markteconomie, niet enkel omdat deze markteconomie ingevoegd is in een breder sociaal en politiek kader, maar ook omwille van het netwerk van relaties waarin deze markteconomie zich realiseert. Immers, indien de markt enkel overgelaten wordt aan het principe van de gelijkwaardigheid van de verdeelde goederen, dan slaagt zij er niet in om deze sociale cohesie te realiseren die zij niettemin nodig heeft om goed te functioneren. Zonder interne vormen van solidariteit en wederzijds vertrouwen kan de markt niet ten volle haar eigen economische functie vervullen. En vandaag is het dit vertrouwen dat is komen te ontbreken en het verlies van vertrouwen is een ernstig verlies.
Op gepaste wijze heeft Paulus VI in Populorum Progressio het feit onderstreept dat dit systeem voordeel zou halen uit een algemene praktijk van rechtvaardigheid in de zin dat de eersten die voordeel zouden halen uit deze ontwikkeling van de arme landen de rijke landen zouden zijn. 7 Het betrof niet enkel een correctie van disfuncties door middel van hulp. De armen mogen niet beschouwd worden als “een last” 8 , maar veeleer als een schat, ook vanuit een strikt economisch standpunt. En toch dient de visie van diegenen die menen dat de markteconomie structureel nood heeft aan een quotum van armoede en onderontwikkeling om zo beter te functioneren beschouwd te worden als verkeerd. Het is in het belang van de markt om emancipatie te bevorderen maar om dit waarlijk te doen kan zij niet enkel op zichzelf rekenen omdat zij niet in staat is om vanuit zichzelf datgene te produceren wat boven haar mogelijkheden uitgaat. De markt moet morele energie halen uit andere subjecten, die in staat zijn om deze voort te brengen.

Geen opmerkingen: