Je hebt mensen die heel rustig door het leven heen glijden, zonder veel negatieve of pijnlijke ervaringen. Je hebt ook mensen die heel verdrietige dingen meemaken, ook mensen die net als de man Job uit de eerste lezing de ene jobstijding na de andere krijgen en zich afvragen: waarom moet mij dit overkomen? Het kan de mededeling zijn dat je ongeneeslijk ziek bent, of dat een dierbare, je partner of je kind, ongeneeslijk ziek is. Het kan de dood van een goede vriend zijn, of een andere verdrietig gebeuren, een hevige teleurstelling of tegenvaller.
Als zoiets je overkomt, is het opeens gedaan zijn met je innerlijke rust, dan kun je het gevoel hebben dat je in een enorm gat valt. Dan kun je je heel ontredderd voelen en bang zijn, heel bang zelfs. Dan kan het gebeuren dat je je angstig afvraagt of je het wel aan kunt, hoe je toch verder moet in je leven.
Nu is elke mens wel eens bang, dat is helemaal geen schande. Iemand die nooit bang is, leeft niet echt. Maar angst en angst is twee. Je kunt bang zijn voor onweer, of bang zijn voor honden, of bang dat er bij je ingebroken wordt. Dat is natuurlijk heel vervelend maar niet meteen levensbedreigend. Maar angst kan ook heel diep gaan, het kan heel je leven overhoop halen, zodat je echt het gevoel hebt dat je verzuipt op een woeste wilde zee.
Jezus' leerlingen waren ook doodsbang toen ze met hun bootje in een heftige storm terecht kwamen. Ze dachten: dit overleven we niet. "Heer, raakt het u niet dat we vergaan." Zoiets kunnen ontredderde en bange mensen nu ook zeggen: God, zit je te slapen, zie je niet dat ik hieraan kapot ga, of kan het jou niets schelen wat mij overkomt. Daar lijkt het heel vaak wel een beetje op. Stiekem hopen we toch vaak op een wondertje. Dat we 's morgens wakker worden en merken dat het een boze droom was, dat de zee weer glad is en de zon weer schijnt. Jezus' leerlingen kwamen er toen gemakkelijk van af, maar dat overkomt de meesten van ons niet. De meesten moeten door een heel diep dal voordat de storm in hun leven een beetje gaat liggen.
U kent wellicht de wapenspreuk van de provincie Zeeland: Luctor et emergo: ik worstel en kom boven. Voor Zeeland in zijn strijd tegen zee en storm een heel toepasselijke spreuk. Als het echt stormt in je leven, als je kopje onder dreigt te gaan, dan gebeurt er meestal geen wonder waardoor de rust terugkeert, dan vraagt het een hele worsteling om er weer boven op te komen, een hele strijd, met jezelf, met het verdriet dat je overkomen is, met je angst die je dreigt te verlammen.
Er zijn altijd wel mensen die goed bedoeld zeggen: wees maar niet bang, het komt best weer goed. Maar als je in de boot zit in woelig vaarwater dan ervaar je dat als een enorme dooddoener. Net als iemand die intens verdrietig is en dan te horen krijgt: je moet niet huilen, je moet je groot houden. Maar, mag huilen alsjeblieft. Als daar geen ruimte voor is, dan wordt het verdriet en de ontreddering alleen maar groter. Verdriet en angst zijn heel menselijke gevoelens die je niet zomaar even van je afschudden kunt zeker niet omdat anderen er geen raad mee weten.
Tegelijk zie je ook veel mensen die in een storm terecht gekomen zijn en die toch een stuk innerlijke rust weten te bewaren, die ondanks hun angst de moed niet verliezen en doorgaan, die de kracht hebben om te worstelen en er zo weer bovenop te komen. Naast zwakheid die je vaak een grote innerlijke kracht waar je alleen maar bewondering voor kunt hebben.
Maar om te kunnen worstelen om er weer bovenop te komen, heb je mensen om je heen nodig, mensen die je niet loslaten als het gaat stormen in je leven, mensen die je ondersteunen en zo goed mogelijk bijstaan. En een gelovige mens zal ook kracht putten uit zijn geloof, uit zijn verbondenheid met God, niet in de verwachting van een wonder dat opeens de rust terug brengt maar wel als een bron van stille kracht waardoor je de worsteling aan kunt en er zo weer bovenop komt.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)



Geen opmerkingen:
Een reactie posten